Kloosterscholen

[1]Rond 750 na Chr. is één van de eerste scholen van Nederland opgericht door een missionaris uit Engeland. Met als doel jongens opleiden die konden helpen bij het missiewerk, het christelijke geloof prediken in Europa. Het was een kloosterschool, naar het voorbeeld van de Engelse kloosterscholen.

In 789 na Chr. voerde Karel de Grote een aantal onderwijswetten in. Alle jongens moesten in een kloosterschool leren lezen, schrijven, bidden en zingen. De nadruk lag op het leren van de Latijnse taal. Hij zag de school als een middel om de bevolking te christianiseren. Waarschijnlijk hebben niet veel jongens gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Zij moesten hun ouders thuis of op het land helpen.
Jongens die voor de kloosterschool kozen, maakte deze keuze voor de rest van hun leven. De leerlingen werden monnik of priester. De leraar was dat al. Door de maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de groeiende handel en opkomst van de steden, werd in de twaalfde eeuw een klein aantal burgerjongens opgeleid voor beter opgeleide banen, zoals het plaatselijke bestuur. Doordat er burgerjongens werden toegelaten in de opleiding wilden de kloosterscholen hun religieuze karakter versterken. Zodat het geloof gepredikt werd. Op een kloosterschool leerden de jongens lezen, schrijven, zingen en wiskundevakken. De nadruk lag op de Latijnse taal. De burgerjongens kregen les in een simpel gebouw aan de rand van het kloostercomplex. In de middeleeuwen was het onderwijs een kerkelijke aangelegenheid. Dit blijkt onder andere uit de bijbelse schilderingen op de muren van de scholen. Verder moesten de schoolkinderen zich aan de regels houden anders werden ze hardhandig gestraft (slaan met de stok of roede), in de bijbel wordt dit toegestaan. Wat de leerlingen leerden hing veelal af van wat de leraar kon en wist. Dus het niveau per school verschilde.

14e eeuw
In de 14de eeuw ontstond de parochieschool, naast de al bestaande kloosterscholen waar de pastoor lesgaf. De school bleef zo in handen van de kerk.
Later ontstonden er parochiescholen die door de gemeente betaald werden en waar een meester les kwam geven. Vanuit die parochiescholen ontstonden dorpsscholen, stadscholen en bijscholen. De bijscholen waren voor jonge kinderen (ook meisjes) en het lagere niveau. In de zeventiende eeuw konden alle kinderen naar school. Maar niet iedereen ging naar school. De bijscholen pasten hun lessen aan op de vraag vanuit het volk. De ene school legde daardoor de nadruk op lezen en schrijven van de moedertaal en op rekenen. Latijn mocht niet gegeven worden op de bijscholen. (www.onderwijs-door-de-eeuwen-heen2)

Advertenties